Verhaal
Laboratoire Leopoldville

Discipline

Datum van de laatste wijziging: 28/09/2026
9 min.

Na de overname door België van Congo-Vrijstaat raakte Congo op korte tijd bezaaid met laboratoria. De oprichtingsijver van het ministerie van Koloniën deed bacterioloog Jacques Schwetz meewarig opmerken dat ‘het woord laboratorium in Congo zo vaak werd gebruikt dat de inhoud ervan triviaal geworden was.1 Het Belgisch bestuur achtte laboratoria duidelijk onmisbaar in de uitbouw van een solide koloniaal beleid. Maar naast staatsbelangen speelde ook een ander motief: prestige! 
 

Afbeelding
Laboratoire Leopoldville

Laboratorium voor bacteriologie van Congo Vrijstaat in Leopoldville, rond of vóór 1905. Afrika-archief fonds RACBGG, (512): laboratoire de bactériologie de Bact/chimie de Léopoldville.

Tropische tempels

Met laboratoria kan je pronken. Dat moet het ministerie van Koloniën hebben gedacht toen het in jaren 1930 de bouw van een nieuw bacteriologisch laboratorium voor Leopoldstad ordonneerde. En inderdaad, met zijn schitterend witte, zestig meter lange voorgevel met drie beuken, zijn statige halfcirkelvormige voortuin en zijn rechte toegangsweg was het nieuwe gebouw een architecturale parel. Het instituut, waarvan de majestueuze naam ‘Institut Princesse Astrid’ nog het prestige verhoogde, beantwoordde perfect aan de ambities van de Belgische beleidsmakers: comfortabel en efficiënt werk garanderen, maar ook bewondering oogsten. De minister drong er dan ook op aan dat de plechtige inhuldiging van deze tempel der wetenschappen een heuse ‘manifestation scientifique’ zou worden, met vooral veel buitenlandse genodigden. De laboratoriumdirecteur zelf vond het instituut door zijn ‘perfecte voorkomen’, ‘aangenaam om aan buitenlandse bezoekers te tonen’.2

Ook in andere steden van de kolonie was prestige een bekommernis bij bouwprojecten. Zo besliste het bestuur om het nieuw medisch complex te Elisabethstad met zijn façade naar de straat te richten – in tegenstelling tot het oude laboratorium, dat ver van de openbare weg had gestaan. ‘Dit kan enkel voordelig zijn voor wat betreft toegankelijkheid en prestige’,3 zo klonk het. Ook toen het Antwerpse Institut de Médecine Tropical Léopold II in het hart van Congo een biologisch onderzoeksstation wilde oprichten, was het positieve onthaal van de minister duidelijk niet alleen door de gedachte aan wetenschappelijke vooruitgang ingegeven: ‘De creatie van een biologisch station in het hart van Afrika, de Belgische kolonie zal nieuwe onderzoekspistes openstellen en zal de goede faam van ons koloniaal oeuvre internationaal kracht bijzetten.4 Internationaal prestige, dat kon de Belgische kolonie wel gebruiken, bedacht de minister. Zeker aangezien ook buurland Frankrijk op dit moment inspanningen voor de promotie van zuivere wetenschapsbeoefening in zijn Afrikaanse kolonies leverde. Het was belangrijk, concludeerde de minister om, gezien de omstandigheden, vroeger en beter te zijn dan de Fransen. 

Glansfoto's

Voor wie niet ter plaatse de tropenlaboratoria kon bewonderen, waren er andere mogelijkheden om de grandeur ervan dichterbij te brengen. Rekruteringsbrochures van het ministerie waren steeds rijkelijk voorzien van glansfoto’s van het magnifieke Institut Princesse Astrid in Leopoldstad en andere laboratoriumscènes. En ook voor het grote publiek werden de deuren van het tropenlaboratorium geopend: op de Belgische wereldtentoonstellingen, die ook door buitenlandse beleidsmakers en royals druk gefrequenteerd werden, bevatten de Congolese paviljoenen steeds een luik over de medische onderneming van de Belgen aan de evenaar. Hier waren vooral de producten van de laboratoria het voorwerp van triomf. Tabellen en kaarten met gegevens over ziekten en medische zorginstanties demonstreerden de humanitaire inborst van de staat. Maar ook aan foto’s van laboratoriuminterieurs mochten bezoekers zich vergapen. Zo sierden op de Exposition Universelle de Bruxelles van 1935 grote afbeeldingen van de werklokalen voor parasitologie, bacteriologie en hygiëne van het instituut van Leopoldstad de wanden van het paviljoen. Ze zetten het prestige van de medische entreprise van de Belgen onder de tropenzon in de verf. 

Nuttige paradepaardjes

Medische laboratoria werden neergezet als het summum van wetenschappelijk vernuft, hét symbool van progressiviteit en wetenschappelijk sérieux. Ze waren, kortom, de paradepaardjes van het koloniale beleid. Zo maakten ze het de overheidsvertegenwoordigers gemakkelijk om zichzelf als zorgzame hoeders te presenteren en om het beleid in te kleden als een modern en humaan beschavingsoffensief dat met nieuwe technologie een einde aan de gruwel van epidemieën zou maken. Tegelijk maakten ze mogelijk dat het Belgische publiek zich achter het koloniaal project schaarde en er zelfs kon naar opkijken. De steun van de Belgische bevolking was van cruciaal belang voor het voortbestaan van de kolonie. Het rubberschandaal en de weinig plechtige overname van de kolonie door de regering in 1910 – met de val van de toenmalige regering en de verwoede debatten in het parlement – had het gevoel van een ‘identiteitscrisis in het Belgische publieke leven’5 doen ontstaan.

Op internationaal vlak probeerde men via de laboratoria een gelijkaardig effect te bekomen: de erkenning van de Belgische aanwezigheid in het hart van Afrika, waarmee een einde zou komen aan de kritische aandacht en de voortdurende dreiging van de concurrerende koloniale mogendheden. 

Afbeelding
Congo propaganda

Propaganda leaflet of the Belgian Ministry of Colonies, 1922, Wikimedia Commons, publiek domein. 

Duiventil

De werkelijkheid was echter minder glansrijk dan de brochures en tentoonstellingen deden vermoeden. Alle bacteriologische diensten kampten met een chronisch gebrek aan hoogopgeleide personeelsleden. Te weinig Europese artsen en verplegers en verpleegsters voelden zich tot een tropenavontuur geroepen, ondanks de goede voorwaarden van een job als koloniaal ambtenaar. Sommige directeurs waren niet eens voltijds aan de slag, zoals dokter Brutsaert van het laboratorium in Elisabethstad die zijn taak als staatsambtenaar combineerde met een functie in de mijnbouwfirma Union Minière. Congolese personeelsleden waren in de ogen van Europeanen allesbehalve loyaal. Deze laboranten, knechten, waterdragers, bodes en bewakers daagden onverwachts niet op of lieten na een tijd verstek gaan, zodat de directeurs steeds naar nieuwe mankrachten op zoek moesten. Een bijkomend probleem was de hoge ziektegraad en het grote aantal verlofdagen waarop koloniale ambtenaren recht hadden. Dit leidde ertoe dat doorheen het werkjaar één post meestal door verschillende assistenten werd ingevuld. Kortom, het bacteriologische staatslaboratorium had veel weg van een duiventil. 

Het grote verloop in de staf bracht de onderzoeksopdracht van de bacteriologische rijkslaboratoria in het gedrang, klonk het in 1936 vanuit Leopoldstad. In de dertien jaar die op de waarschuwing volgden, veranderde er in de hoofdstad blijkbaar weinig, want de volgende directeur schreef: "wij hebben geen tijd om onze technieken up-to-date te houden en onze kwaliteit te behouden. De bijdrage van het laboratorium aan de studie van de lokale pathologie is ‘nul’." Het instituut van Elisabethstad was in hetzelfde bedje ziek: zo werd er in 1927 melding gemaakt van twee onderzoeken die werden afgebroken en een studiereis die moest worden afgezegd, want ‘de routine en het onderhoud van de celculturen, de productie van vaccins etc. neemt alle tijd van het personeel in beslag’.6 De noodkreten van directeurs klonken doorheen de tijd en in elke provincie van de kolonie even luid. 
 

Vleermuizenpoep

Dat de kwaliteit van de infrastructuur van de tropenlaboratoria ver beneden het peil van de rijkslaboratoria in het moederland lag, maakte het werk alleen maar moeilijker. Zo was het eerste bacteriologisch instituut van Leopoldstad in zeer sobere omstandigheden gehuisvest. De muren waren oud en gemaakt zonder cement en het dak bestond uit golfplaten. De lokalen waren onvoldoende verlicht en verlucht en veel te smal. Stromend water was er zelden, waardoor de assistenten draagcorveeën op zich dienden te nemen. Directeurs trokken in hun rapporten meermaals aan de alarmbel. Zo schreef Vandenbrande in 1927: ‘Wij doen hier aan bacteriologie temidden het houtstof en de vleermuizenkeutels. Het is onmogelijk om in deze omstandigheden te blijven werken.’ 7 De andere bacteriologische laboratoria bevonden zich in een gelijkaardige toestand. In Stanleystad gingen de zorgen vooral uit naar een te zwak elektriciteitsnetwerk. Over de dienst in Elisabethstad noteerde de laboratoriuminspecteur in 1948: ‘Afgeleefd en gebrekkig. Een schandvlek in het snel ontwikkelende Katanga en Elisabethstad.’8 De diensten van Kivu, de Province Oriental, en de Evenaarsprovincie ontvingen soortgelijke commentaren. 

Ook nadat in 1936 het prachtige, moderne witte gebouw van het nieuwe bacteriologische instituut van Leopoldstad was verrezen, had de staf te kampen met typische problemen die laboratoriumpraktijk en zeker het onderzoek in evenaarsgebied heel wat minder evident maakte dan in het moederland. De tropische hitte van het warme seizoen, die vanaf elf uur de bibliotheek en de vaccinzaal tot een onleefbare plek maakte en de precisieapparaten en chemische reagentia ontregelde, was een probleem waarvoor zelfs de ingebouwde verluchtingsgaten geen soelaas boden. Tijdens het regenseizoen dan weer stroomden de kelders onder. De wateraanvoer via de leidingen was onregelmatig, evenals de stroomtoevoer. Bovendien waren al na één decennium de lokalen te Leopoldstad opnieuw te krap, waardoor witte en zwarte personeelsleden in één ruimte moesten werken - wat, zo werd gezegd, risico’s inhield voor de morele rechtlijnigheid van de Europeanen. 

Ten slotte duurde het wachten op nieuwe instrumenten, producten, proefdieren en boeken, die allemaal uit het moederland moesten worden verscheept, eindeloos. Steriele proefdieren, instrumenten, culturen en reagentia, allemaal cruciaal voor onderzoek, moesten haast altijd worden verscheept, en overleefden de intercontinentale reis zelden. In Stanleystad kloeg men doorlopend over een gebrek aan materiaal – de gevraagde leveringen kwamen soms half en soms helemaal niet aan – waardoor de bibliotheek zeer gedateerd en mager bleef – een oud verzamelwerk uit 1923 was in 1936 het beste stuk van de collectie. De honger naar elektriciteit, water en gas en de moeilijk te verzadigen behoefte aan intellectuele input via hoogopgeleide werknemers en informatie waren haast onoverkomelijke barrières voor wie gedegen onderzoek wilde uitvoeren. Deze praktijk concentreerde zich daarom vanaf 1933, na de verhuis van het Instituut voor Tropische Geneeskunde van Brussel naar een groter gebouw in Antwerpen, steeds meer in het moederland. De inbreng van de tropenlaboratoria in de medische exploratie van de Congo beperkte zich steeds vaker tot het opsturen van autopsiemateriaal, stalen, insecten of parasieten. 

 Zwakke plek

De angst om op wetenschappelijk gebied achterop te raken, en zo het prestige van de koloniale onderneming te schaden en de geloofwaardigheid ervan te ondermijnen, was voor de Belgische overheid dan ook een voortdurende en reële bezorgdheid. De laboratoriumambtenaren deelden deze bezorgdheid, maar speelden er ook gretig op in. Toen de staatsinspecteur van de laboratoria in 1927 in zijn rapport meedeelde dat alle bacteriologische staatsinstellingen een schrijnend personeelstekort vertoonden, voegde hij er sluw aan toe: ‘Het is slechts door constante toewijding van de staf dat de Belgische kolonie .. het wetenschappelijke peil van de andere Afrikaanse kolonies weet bij te benen.9 De boodschap was duidelijk: als de overheid niet snel voor nieuwe personeelsleden zou zorgen, zou België in de wetenschapswedloop van koloniserende naties achteropraken. En toen de directeur van het Institut Princesse Astrid van Leopoldstad in 1945 uitbreidingswerken bepleitte, pookte ook hij in de zwakke plek van de overheid: ‘De resultaten die bereikt zijn door zekere buurkolonisatoren in bepaalde wetenschapsdomeinen, dwingen ons tot een snelle inhaalbeweging, als we niet voor het voldongen feit willen staan dat we hopeloos zijn achteropgeraakt inzake wetenschap en moderne middelen. 10 Op deze manier werd prestige, wanneer het in handen van slimme laboratoriumdirecteurs viel,ook een wapen dat tégen de overheid kon worden ingezet.

Archief

  • Afrika-Archief

Literatuur

  • Donny, Albert-Ernest, ‘La remise à l’Etat belge du Laboratoire de Bactériologie de Léopoldville’, in: Bulletin de la Société Belge d’Etudes Coloniales, 17 (1910).
  • Richard, ‘Un institut Pasteur à Stanleyville’ in: Bruxelles-Médical. Revue Hebdomadaire des sciences médicales et chirurgicales, 8 (1927), 27 november), nr. 4.
  • De geneeskundige loopbanen in Belgisch Congo, Brussel, 1949.
  • Daniel Headrick, The tools of empire. Technology and European imperialism in the nineteenth Century, Oxford, 1981.
  • Lyons, Maryinez, The colonial disease: a social history of sleeping sickness in northern Zaïre, 1900-1940, Cambridge, 1992.
  • Poncelet, Marc, Nicolaï, Henri, Delhal Jacques en Symoens,Jean-Jacques, ‘Les sciences d'Outre-mer’, in: Halleux e.a., Histoire des sciences en Belgique, 1815-2000, 2, Brussel, 2001, 235-265.
  • Lagae, Johan, ‘‘Het echte belang van de kolonisatie valt samen met dat van de wetenschap.’ Over kennisproductie en de rol van wetenschap in de Belgische koloniale context’, in: Het geheugen van Congo. De koloniale tijd, Tervuren/Gent, 2005.
  • Baetens,Roland (red.), Een brug tussen twee werelden: Het Prins Leopold Instituut voor Tropische Geneeskunde Antwerpen, 100 jaar, Antwerpen, 2006 (www.itg.be).
  • Mantels, Ruben, Geleerd in de tropen. Leuven, Congo en de wetenschap, Leuven, 2007.
  • Ndaywel E Nziem, Isidore, Nouvelle histoire du Congo. Des origines à la République démocratique, Brussel, 2008.
  • Viaene,Vincent, Van Reybrouck, David en Ceuppens, Bambi (red.), Congo in België: koloniale cultuur in de metropool, Leuven, 2009.
  • Diser, Lyvia, Ambtenaren in witte jas. Laboratoriumwetenschap in het Belgisch overheidsbeleid (1870-1940), Onuitgegeven proefschrift, Katholieke Universiteit Leuven, departement Geschiedenis, 2013.


Voor volledige lijst van referenties zie Diser, Lyvia, Ambtenaren in witte jas. Laboratoriumwetenschap in het Belgisch overheidsbeleid (1870-1940), Onuitgegeven proefschrift, Katholieke Universiteit Leuven, departement Geschiedenis, 2013.
 

 

Suggestion Quote
Inhoudstafel