Institut de Botanique - Universiteit Luik

From Bestor_NL
Revision as of 11:19, 26 September 2017 by Bestor (talk | contribs) (Created page with "<div style="text-align:right;">[ FR]</div> category:Plaatsen van wetenschapcategory:Publieke wetenschapsmonumentencategory:Creatie 1876-1900category:Wetenschap...")
(diff) ← Older revision | Latest revision (diff) | Newer revision → (diff)
Jump to: navigation, search
[ FR]
Bron: Université de Liège. Esquisse historique sur les bâtiments universitaires, 38.

Onderzoeks- en onderwijsinstelling voor plantkunde aan de Universiteit van Luik, gecreeërd in 1882-1883. Maakt deel uit van de Instituts Trasenster.


Oprichting

In de jaren 1860-1870 vonden experiment en practica ingang aan de wetenschapsfaculteiten van de Belgische universiteiten. Lichtend voorbeeld was Duitsland, waar het experimentalistisch model, weg van ex cathedra onderwijs, al eerder was doorgebroken. Belgische hoogleraren richtten op eigen initiatief laboratoria voor onderwijs en onderzoek in. Meestal kregen ze hiervoor echter slechts bescheiden, slecht uitgeruste achterlokalen of benepen ruimten ter beschikking, of ontvingen ze studenten noodgedwongen in hun huislaboratorium. In het laatste kwart van de negentiende eeuw werd het ook de beleidsmakers duidelijk dat deze schamele wetenschapsinfrastructuur niet meer voldeed. Onder stimulans van eerste minister Walthère Frère-Orban kwam de overheid in 1879 over de brug met een broodnodige injectie voor haar beide rijksuniversiteiten Gent en Luik. De Universiteit van Luik ving een flink deel van de koek: bijna 3 miljoen van de in totaal 4,5 miljoen frank subsidies. Dit was deels te danken aan de tussenkomst van de liberaalgezinde rector Louis Trasenster. De universiteit koos, op aanmoediging van Walthère Spring, bovendien voor een ambitieus infrastructuurplan met, naar Duits voorbeeld, aparte gebouwen voor de verschillende afdelingen van de universiteit, waaronder de plantkunde.

Edouard Morren zetten het werk van zijn vader en voorganger Charles verder.


Het oorspronkelijke idee bestond erin om al deze nieuwe gebouwen te groeperen op de site van de Botanische tuin .[1] Dit was absoluut niet naar de zin van buurtbewoners, welstellendende burgers die de rust van hun quartier op prijs stelden en sneerden dat "la ventilation d’un laboratoire de chimie a pour effet d’écarter du local les vapeurs nuisibles et de les déverser sur le voisinage." Verenigd in een Comité du Défense du Botanique lanceerden ze een petitie voor het behoud van hun nette, groene wijk. Bevreesd voor deze electorale zwaargewichten[2] krabbelde het geschrokken stadsbestuur dat dit protest niet had voorvoeld, terug. De instituten zouden elders worden ingeplant. Voor het Botanisch instituut werd echter een uitzondering gemaakt. De nabijheid van de plantentuin was immers cruciaal voor onderzoek en onderwijs. Er werd daarom een plek aangewezen in de uiterste hoek van de tuin, nabij de rue Fusch. Daar zou het instituut worden aangebouwd aan de bestaande grote serres en rotondes die in 1840 door Luiks hoogleraar Charles Morren gecreëerd waren.

De halve boog van hoge ramen maakten van het studentenlaboratorium een lichtrijke plek voor microscopisch onderzoek. Bron: Le mouvement scientifque en Belgique.


De bouwwerken voor het nieuwe instituut vingen aan in 1882. Hoogleraar Charles Morren maakte eigenhandig alle plannen op. Lambert Noppens, die tot de vriendenkring van rector Trasenster behoorde, was de architect van dienst. Het jaar nadien al kon men tijdens de inauguratie van 24 november 1883 het resultaat bewonderen. Niet zonder trots ontving Trasenster voor die gelegenheid de minister van Openbaar Onderwijs Pierre Van Humbeeck en zijn vriend, de eerste minister Frère-Orban. Het gebouw bestond uit twee delen die elk uitgaven op een halfrond, lichtrijk paviljoen. Het linkse paviljoen, dichts naar de stad toe, herbergde een auditorium dat plaats bood aan 220 studenten. Wandplaathouders en zwarte en witte schrijfborden stonden er ter beschikking van de lesgever. Naast het paviljoen bevonden zich een laboratorium voor doctoraatsstudenten, het bureau van de hoogleraar en de directeur van het instituut en de zaal van materialen. Het tweede paviljoen bestond uit een leerlingenlaboratorium met 80 werkplaatsen. In het verlengde van dit paviljoen strekte een museum zich uit over verscheidene zalen. Studenten en docenten konden er opzoekingen doen in meer dan zestig herbaria over Belgische flora, algemene flora en cryptogamie. Vanuit het instituut waren in enkele stappen de grote serres met hun rijke collectie aan palmen, cycadophyta en boomvarens.


Verder verloop

In de jaren 1970 verhuisde het botanisch instituut net als vele andere wetenschapsgebouwen naar de campus Sart-Tilman. De universitaire botanische tuin verhuisde eveneens. De vrijgekomen groene site kwam in handen van de stad, die er een openbaar park van maakte. sinds 2001 herbergt het gebouw van het voormalige instituut bureaus van organisaties die werken rond natuurbehoud en leefmilieu.


De eerste directeurs/hoofden


Locatie

Het instituut bevindt zic op de hoek van de rue Courtois en rue Fusch, in Luik.



Bibliografie

  • Hamoir, G., Frère-Orban (1812-1896) et l’Université de Liège? Club Universitaire Réforme et Liberté, Luik, 1996.
  • Claude, Jacqueline, Doppagne, Philippe, Duquenne-Herla, Kathleen (e.a.), Liber memorialis 1967-1992, Université de Liège, Luik, 1993.
  • Collignon, A., "A l’origine des grands Instituts universitaires liégeois: le vieux “Quartier de Bêche”", in: Revue médicale de Liège, 41 (1986), 755-775.
  • Université de Liège. Esquisse historique sur les bâtiments universitaires, Luik, 1892.
  • Université de Liége. Inauguration solennelle des instituts universitaires le 24 novembre 1883, Luik, 1883.
  • Le mouvement scientifique en Belgique 1830-1905, volume 1, Luik, 1907, 121.


Noten

  1. Dit plan was al in 1875 goedgekeurd en wachtte enkel nog op geldelijke ondersteuning.
  2. In het systeem van censuskiesrecht wogen de stemmen van de rijke burgers van de Botanique zwaar door.